Drie jongeren zitten op een stoeprand voor de snackbar.
De andere twee staan in de lange rij. Het is druk. Mensen staan leunend op een been te wachten. Er zucht iemand. Er wordt gelachen. In de snackbar is het vast warm. Buiten valt dat wel mee. Een chagrijnige, oude vrouw snouwt of de drie opzij willen gaan. Zo beleefd mogelijk staan ze op en gaan vervolgens weer net zo zitten als daarvoor. Binnen wordt een bestelling geroepen. Niet die van hun. Ze wachten. Er komt een auto aangereden. Een man en een vrouw stappen uit en slaan de deur dicht. De man pakt de vrouw bij haar schouder en vraagt: 'En, wat wil jij hebben, schat?' Iedereen is stil. Sommige mensen in de rij kijken even om. Het meisje wat op de grond zit kijkt op. Schat? Ik kijk naar de vrouw. Ze merkt niets. Ze merkt niet dat het plotseling stil is en iedereen naar haar kijkt. Of doet ze dat wel?
Een vrouw schuift de stoel aan de kant.
Ze pakt haar mop in twee handen en dweilt het stukje vloer. Aan de andere kant van de kamer zit een meisje op de bank. In kleermakerszit in het midden van de tweepersoonsbank. Met een boek op haar shoot en in een hand een appel. Ze neemt een hap. De vrouw loopt verder de kamer door. Ze mist een paar stukjes. Het meisje slaat een bladzijde om. Ze kijkt even naar de vrouw, maar zegt niets. Wat zou je tegen een schoonmaakster moeten zeggen? Wat zou er in haar hoofd rondgaan? Zou er wel iets in haar hoofd rondgaan? Ik concentreer me weer op mijn boek. En ik neem nog een hap uit mijn appel. Zou zij van appels houden?
Ik denk niet dat de vrouw door had dat mensen naar haar keken of moesten lachen om haar man. Voor haar is het waarschijnlijk doodnormaal dat hij haar 'schat' noemt. Hij houdt van haar. En dat weet ze. Daarom gaan ze samen iets bij de snackbar halen. Omdat ze alles samen willen doen.
De huisvrouw zal vast wel van appels houden. Bijna iedereen doet dat. Maar ik zal nooit weten of er iets in haar hoofd omging, op dat moment. Soms denk je ook gewoon even aan helemaal niets. Soms aan veel te veel. Ik ga veel te diep op dingen in. Ik denk soms te veel na. Ik ben nieuwsgierig naar andere mensen. Ik bedenk overal een heel verhaal bij. Misschien is het leven wel één groot verhaal. Dan is God de schrijver. Als je gelooft in een God. Elke dag, elke daad, elke gedachte is een nieuwe bladzijde, alinea of regel uit jouw boek.
...ogen gleden over het beeldscherm. Het was alsof er iemand in je hoofd keek. Alles wat je zei, deed of dacht was niet langer verborgen voor anderen. Het stond plotseling op papier...
Jouw leven is dus maar een verhaal. Een verzinsel van iemand die maar wat schrijft. Wie ben ik dan? Een bijrol? Maar in mijn verhaal ben ik de hoofdpersoon en jij de bijrol. Of bestaat jouw verhaal eigenlijk niet? Zoals ik al zei, bedenk ik overal een verhaal bij. Ik ben voor even een schrijver van iemands leven. Ik bedenk dat de man en de vrouw alles samendoen en ik bedenk of de huisvrouw van appels houdt. Maar echt zeker zal ik het nooit weten. Niet op dit moment tenminste.
Wat ik hiermee wil zeggen? Helemaal niets. Ik had zin om iets te schrijven. Een stukje uit jouw verhaal, de tijd dat jij dit leest. Dat komt ook op papier te staan. Het is aan jou wat je ermee doet, of je erover nadenkt of lachend het venster wegklikt. Het is ten slotte jouw verhaal.
10.27.2006
Schrijven
Gepost door Elaine op 23:49
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 reacties:
Dat is gewoon níet vet om over na te denken, zeg. :P
Een reactie posten