Hier een voorproefje van mijn verhaal over een meisje Azaelia. Ik ben nog láng niet klaar, maar ik ben benieuwd wat anderen er van vinden (O ja, op de plaats van de puntjes hoort nog een heel stuk, maar dat komt nog wel).
Azaelia zat bovenop de heuvel in het gras.
De wind streek zacht langs haar huid en deed haar rode haren opwaaien. Ze plukte een bloem uit het gras. Als ze om haar heen keek zag ze overal bloemen. Het was begin zomer. Ze schoof de bloem in d’r haar. Onderaan de heuvel lagen vele heidevelden. De zon ging al bijna onder en het rode licht scheen prachtig over de vlaktes. Achter haar lag de stad Enruys. Het bestond uit vele huizen, winkels en een klein fort. Aan de zijden van de stad lagen groentevelden en velden waar graan op werd verbouwd. De landbouw was het belangrijkste middel van bestaan voor de Mensen. Azaelia hield er niet van om te helpen op het land. Het was saai werk, het duurde lang en bovendien was het in deze tijd van het jaar bloedheet. Zodra ze elke dag klaar was met werken, zocht ze wat jongens op en oefenden ze het vechten met zwaarden of maakte wandelingen buiten de stad. Ze was niet zoals andere meisjes uit Enruys. De meeste van haar leeftijd hadden al kinderen en vulden hun dag met het voeden en het heen en weer wiegen van hun kind. Azaelia dacht daar nog niet aan. Later misschien. Hoewel haar moeder haar al meerdere keren probeerde uit te huwelijken, bleef Azaelia haar eigen weg volgen. Ze wilde eigenlijk maar één ding en dat was reizen. Vaak droomde ze over verre steden, vreemde wezens en nieuwe gewoontes. Ze was net als haar broer. Hij had er zijn beroep van gemaakt. Hij reisde tussen steden heen en weer om dingen op te halen en ergens anders af te geven voor belangrijke zaken. Meer wist Azaelia niet. Ze had hem inmiddels al een paar jaar niet meer gezien.
Ze keek naar de wolken die over haar heen dreven. Azaelia lag vaak op de heuvel. Toen ze klein was deed ze dat altijd met haar vader. Dan keken ze samen naar de wolken die zich tot allerlei figuren vormden en hij verzon er dan verhalen bij. Azaelia glimlachte. Toen leek alles nog zo avontuurlijk en nieuw. Nu was alles gewend en wist ze eigenlijk niet beter. Maar daar zou snel verandering in komen.
Ze besloot weer naar huis te gaan. Ze stond op en rende de heuvel af richting de poort van Enruys. Ze groette een wachter en liep het stenen pad op. In het midden op het grote dorpsplein stond een fontein. Azaelia gleed met haar hand door het heldere water. Winkeleigenaren haalden de borden naar binnen en de boer dreef zijn kippen bij elkaar. ‘Hé Azaelia,’ riep iemand. Ze keek om en zag een wat oudere jongen met donker haar in een staart naar haar zwaaien. ‘Kom je straks nog langs? Fosco en Moro zullen er ook zijn!’ ‘Je ziet me verschijnen, Till!’ riep ze terug. Ze lachte en liep verder naar haar huis. Ze klopte aan de houten deur. Haar moeder deed open. Het eten stond al op tafel. Toen ze aan tafel zat, begon haar vader over het werken op het land. ‘We krijgen veel te doen, nu het zomer is. Het zou fijn zijn als je vaker komt helpen, Azaelia,’ zei hij. Ze zuchtte. Het zal wel moeten. Toen ze klaar waren met eten, ruimde Azaelia af en zei: ‘Ik ga nog even langs Till.’ ‘Als je het maar niet te laat maakt,’ zei haar moeder. ‘Je moet morgenochtend vroeg op.’ ‘Ja ja,’ mompelde Azaelia en trok de deur achter haar dicht.
Ze klopte bij de smid aan. Een grote man met veel haar, leren handschoenen aan en een schort voor deed open. ‘Azaelia! Kom binnen, de jongens zijn er al.’ Hij hield de deur open. ‘Dank u, meneer Tucker,’ zei Azaelia en ze stapte naar binnen. Till en Fosco stonden tegenover elkaar met een uitgestoken zwaard in de grote smederij. Overal hingen zwaarden, schilden, hoefijzers en gereedschap. Till stapte opzij toen Fosco uithaalde en ging in de aanval. Fosco blokte al zijn slagen. Toen hij Azaelia zag zwaaide hij even en op dat moment haalde Till hem onderuit. ‘Zo gaat het nou altijd,’ gromde Fosco toen hij op de vloer lag. Moro moest lachen. ‘Je moet je niet zo laten afleiden,’ zei Till en hij hielp Fosco overeind. Azaelia klopte stof van Fosco’s shirt af en veegde zijn blonde haar uit zijn gezicht. ‘Nou, wie durft nog?’ vroeg Till zwaaiend met zijn zwaard in zijn hand. ‘Kom maar op!’ riep Moro en hij pakte een zwaard die op een hooibaal lag. ‘Zet hem op, Moro!’ zei Azaelia en ze ging naast Fosco tegen de muur zitten. Ze keek hem glimlachend aan. Hij wilde net zijn hand op die van haar leggen toen Moro begon te schreeuwen. ‘Je hoeft niet zo hard te slaan, Till!’ Hij stond met zijn voeten op de grond te stampen. ‘Ik doe helemaal niets!’ sputterde Till. Meneer Tucker riep vanuit een andere kamer: ‘Jongens, doen jullie voorzichtig met elkaar?’ Till zuchtte. ‘Wilt iemand anders het van Moro overnemen? Maar kijk uit, ik sla hard.’ Hij keek nadrukkelijk naar Moro. Azaelia stond op en pakte het zwaard uit Moro’s handen. Ze gebaarde met haar hand en zette haar uitdagende blik op. Till stroop zijn mouwen op en zette een stap naar voren. Azaelia pakte het zwaard met twee handen vast en tikte op de grond. Dan maakte ze een sprong naar voren en sloeg tegen Till’s voet. ‘Eén punt voor Azaelia!’ riep Moro. Azaelia tilde een wenkbrauw op en sloeg naar de schouder van Till. Ook deze raakte ze. Till probeerde uit te halen naar haar middel, maar ze blokte en prikte met de punt van het zwaard tegen zijn buik. ‘Ik zie dat je geoefend hebt,’ lachte Till en hij sloeg tegen haar zwaard. ‘Dat klopt,’ zei Azaelia en ze duwde zijn zwaard weg. Keer op keer probeerde ze Till te raken, maar nu weerde hij alles af. Uiteindelijk stonden ze hijgend tegenover elkaar. ‘Genoeg,’ zuchtte Azaelia. Till stuurde Moro wat drinken te halen. Hij kwam terug met vier bekers mede. ‘Proost!’ zei hij. ‘Op ons,’ zei Fosco. Ze namen alle vier een slok. Moro begon een beetje te hoesten. De rest lachte.
...
‘Jullie zullen het vanaf nu zonder mij moeten doen,’ zei Azaelia. ‘Wat bedoel je?’ vroeg Till en hij liet zijn zwaard zakken. Fosco en Moro keken op. Azaelia stak haar zwaard in de grond. ‘Ik ga met mijn broer mee op reis. Naar Larandième, de stad van de Elven,’ zei ze. De ogen van de jongens werden groot. ‘Dat is geweldig!’ zei Fosco lachend. Hij was de optimistische van de drie. ‘Hoe lang ben je dan weg?’ vroeg Moro. Hij was de jongste en had het erg op Azaelia gesteld. ‘Dat weet ik niet. Het kan een maand zijn of een jaar!’ Ze keek naar de grond. Till, Fosco en Moro waren de drie jongens waar ze riddertje en prinses mee speelde toen ze klein was. Moro was trouwens altijd de prinses. Van Fosco kreeg Azaelia haar eerste kus en Till heeft haar geleerd hoe ze moest zwaardvechten. Ze kende ze nu al zo lang en Azaelia kon zich eigenlijk geen wereld zonder hun indenken. Ze wist nu al dat ze hun vreselijk ging missen.
De rest van de avond was het tamelijk stil. Niemand had meer zin om te oefenen, dus zaten de drie jongens en Azaelia op de hooibalen een beetje voor zich uit te staren. Fosco verbrak de lange stilte. ‘Ik denk dat ik naar huis ga.’ Hij stond op en trok zijn shirt recht. ‘Ik loop wel met je mee,’ zei Azaelia en stond ook op. Till en Moro bleven zitten, dus zeiden Azaelia en Fosco gedag en liepen naar buiten. Azaelia trok de houten deur achter haar dicht en zuchtte. ‘Wat is er?’ vroeg Fosco. ‘Als ik hun gezichten zo zie, kan ik bijna niet weggaan. Ook al duurt het misschien nog een week totdat Grigory zijn levering krijgt, mis ik ze nu al. En jou ook.’ Azaelia liep het pad op richting het stadsplein. Fosco liep achter haar aan. Azaelia ging op de rand van de grote fontein zitten, dat midden op het verlaten plein stond. De sterren weerspiegelden en het licht van de maan zorgde voor een zilveren gloed over het water. Fosco ging naast haar zitten en pakte haar hand vast. ‘Ik ga jou ook heel erg missen, Azaelia,’ zei hij zacht. In de weerspiegeling van het water zag Azaelia hem dichter naar haar toe komen, maar ze wendde haar hoofd af. ‘Dat zou het alleen maar erger maken,’ fluisterde ze. Ze keek Fosco met een bezorgde blik aan. Hij liet haar handen los. ‘Ik denk dat je gelijk hebt. Laat me je naar huis brengen,’ antwoordde hij en ze liepen naar Azaelia’s huis.
Een week later werden Grigory’s goederen gebracht.
Dat betekende voor Azaelia dat haar avontuur ging beginnen. Ze zocht wat spullen bij elkaar en stopte deze in een grote tas. Haar moeder kwam haar kamer binnen met schone kleding. Ze legde deze op Azaelia’s bed en zuchtte. Azaelia wierp haar een geruststellende blik toe. Ze pakte haar spullen en zette deze bij de deur, toen haar vader haar riep. Azaelia liep naar buiten en haar ogen werden groot. Haar vader stond voor het huisje met een lichtbruine merrie aan de teugels. ‘Dit is Marigold,’ zei haar vader. ‘Ze zal je naar Larandième brengen.’ Azaelia gleed met haar vingers door de zachte manen. ‘Dank je wel, vader,’ zei ze en ze lachte. Ze droomde hier over, maar had nooit gedacht dat het ooit werkelijkheid zou worden. Grigory en haar moeder kwamen naar buiten. Grigory pakte Azaelia’s spullen en deed ze in de tassen op Marigold’s rug. ‘Het is zover,’ zuchtte moeder. Ze pakte Azaelia’s hoofd tussen twee handen. ‘Grigory zal op je letten, maar dit wordt jouw reis, jongedame. Ik hoop dat je voorzichtig bent en ik zal je vreselijk missen. Vergeet niet dat ik van je hou,’ en ze kuste Azaelia op haar voorhoofd. ‘Ik hou ook van jou, moeder,’ en met deze woorden stapte Azaelia op haar paard. Grigory stapte op zijn hengst samen met een hoop bagage. Ze liepen het pad op naar de poort. Toen Azaelia achterom keek, zwaaide haar moeder en vader haar uit. Ze zwaaide terug. Ze draaide zich weer om en zag Moro, Till en Fosco bij de poort staan. ‘Wacht even, Grigory,’ zei ze en ze stapte af. Ze liep naar de drie jongens toe. ‘Deze is voor jou,’ zei Moro en hij ging op zijn tenen staan om een bloemenkrans op Azaelia’s hoofd te leggen. Er liep een traan over zijn wang. Azaelia droogde zijn tranen. ‘Voor je het weet ben ik weer terug, Moro,’ en ze keek in zijn waterige ogen. Ze vroeg Till om op hem te letten, waarop hij zei: ‘Met heel mijn hart, Azaelia,’ en hij maakte een buiging. Van Till kreeg ze een ketting met een steen eraan en Fosco gaf haar zijn zwaard. ‘Maar Fosco,’ begon Azaelia maar hij legde een vinger op haar mond. ‘Ik wil dat je het bij je draagt, het zal vast van pas komen.’ ‘Bedankt, jongens,’ zei ze en stapte weer op Marigold. ‘Tot snel!’ De jongens zwaaiden en riepen gedag. Ik zal ze missen, dacht Azaelia. Zo reden Azaelia en Grigory de dag tegemoet.